Natuurkundigen en oncologen zijn het met elkaar eens: er moeten in Nederland klinieken komen voor protonradiotherapie.
Tumorbestraling met protonen brengt minder schade toe aan het omliggende weefsel dan de huidige röntgenstraling.
„Dus waarom zouden we het niet doen”, vraagt de Delftse hoogleraar Ignaz de Schepper zich af.
Het aantal klinieken dat protonbestraling aanbiedt, nam de afgelopen jaren sterk toe, met name in de VS, Duitsland en Japan.
Voor Nederland is deze vorm van behandelen een nog vrijwel onbekend verschijnsel.
Een klein deel van de kankerpatiënten reist nu naar het buitenland, zoals het Zwitserse Villigen of Boston in de Verenigde Staten, om daar protonradiotherapie te ondergaan.
In ons land echter gebeurt de bestraling nog altijd met röntgenstralen (fotonen, lichtdeeltjes).
Het voordeel van het werken met protonen (elementaire deeltjes) is dat ze tumorcellen even effectief vernietigen als röntgenstralen, maar minder schade aanrichten in het omliggende weefsel.
Dit komt doordat protonen hun energie pas verliezen -en daarmee hun werk doen- op de plaats van bestemming.
Fotonen raken op weg naar de tumor al een groot deel van hun energie kwijt.
„Een proton ontploft eigenlijk in de laatste millimeters die hij in het lichaam aflegt”, zegt prof. dr. Hanne Kooij, verbonden aan het F. H. Burr Proton Therapy Center van Massachusetts
General Hospital en Harvard Medical School in Massachusetts, VS.
De grotere nauwkeurigheid maakt protonradiotherapie bijzonder aantrekkelijk voor de behandeling van kinderen, want door schade aan gezond weefsel kunnen tien tot twintig jaar na bestraling secundaire tumoren ontstaan.
„Kinderen vormen 14 procent van onze patiënten”, aldus Kooij. Verder behandelt de kliniek volwassenen met complexe kankers in of bij gevoelige weefsels, zoals ogen, hersenen en hart.
Een belangrijk voordeel voor patiënten die veel straling krijgen, is dat ze van de protonbehandeling geen of weinig last hebben,
terwijl ze van de gangbare röntgenbestraling behoorlijk ziek zouden zijn, weet Kooij. „Radiotherapie is zelden een op zichzelf staande behandeling.
Je krijgt die vaak in combinatie met een operatie of een chemokuur.
Wanneer de bestraling niet ziek maakt, kan die persoon de chemotherapie beter verdragen en of sneller herstellen van een operatie, want daarvan krijgt je lijf ook een behoorlijke klap.”
Doordat het omliggende weefsel minder te lijden heeft bij protonradiotherapie, kan de tumor, indien nodig, met een hogere dosis worden bestreden. Dat vergroot de kans op genezing.
Ondanks de goede vooruitzichten, zal voorlopig maar een fractie van de kankerpatiënten met de nieuwe methode behandeld kunnen worden.
Niet alleen de capaciteit speelt daarbij een rol, ook het feit dat protonradiotherapie nu nog anderhalf tot twee keer zo duur is als een gewone bestralingskuur. „
Het lijdt voor mij geen twijfel dat de protonbehandeling beter is”, stelt Kooij. „Bij elke patiënt rijst echter de vraag of het de moeite waard is.
Of het resultaat de extra kosten rechtvaardigt.”
Laboratorium
Harvard heeft inmiddels bijna een halve eeuw ervaring met protonbestraling (zie kader ”Experimenteel gebruik van deeltjesversneller”).
Tussen 1961 en 2002 behandelde het medisch personeel ruim 9000 patiënten in het Harvard Cyclotron Laboratory (HCL).
In 2002 verplaatsten de activiteiten zich naar het nieuwe Burr Proton Therapy Center bij het Massachusetts General Hospital.
Dat de techniek nu pas wereldwijd doorbreekt, heeft volgens Kooij verschillende oorzaken. Als eerste noemt hij een praktisch probleem.
„De deeltjesversneller was alleen voor het laboratorium verkrijgbaar. Artsen konden er dus alleen gebruik van maken als deze al aanwezig was.
Pas de laatste jaren bestaan er bedrijven die deze apparatuur bouwen en verkopen.”
Aangezien ziekenhuizen voor de deeltjesversneller en de behandelruimten een apart gebouw moeten neerzetten,
is de bestralingsmethode op dit moment alleen voor grote (academische) centra een optie.
Daarbij raakt de medische wetenschap er nu pas van overtuigd welke mogelijkheden protonradiotherapie biedt, meent Kooij.
„Niet alleen van wat je ermee kunt doen, maar vooral wat je er beter mee kunt doen. Röntgenradiotherapie zit nu zo’n beetje aan de limiet,
terwijl we nog maar net zijn begonnen met de toepassing van protonen. We verwachten dat deze methode nog ruime mogelijkheden biedt.”
„Nederland moet voorsprong behouden”
Drie consortia hebben plannen voor de bouw van een protonenkliniek: in Groningen, Delft en Maastricht.
Maar vóór de eerste paal de grond in gaat, moet er duidelijkheid komen over de vergoeding van de behandeling.
Anders is het de vraag of er überhaupt een behandelcentrum komt in Nederland.
De organisaties wachten met smart op het advies van de Gezondheidsraad en het College voor zorgverzekeringen.
Half maart brengen ze verslag uit aan minister Klink van Volksgezondheid. Als de zorgverzekeraars protonradiotherapie niet in het basispakket opnemen,
is de kans groot dat de plannen voor de klinieken stranden, meent prof. dr. Hans Langendijk, hoofd van de afdeling radiotherapie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG).
Volgens eerdere berekeningen rechtvaardigt het aantal kankerpatiënten dat in aanmerking zou komen voor protonbehandeling de bouw van drie klinieken.
Op dit moment krijgen jaarlijks 75.000 mensen te horen dat ze kanker hebben.
Naar verwachting zal dit aantal stijgen tot 85.000 in 2015. Meer dan de helft van hen wordt bestraald, al dan niet in combinatie met een operatie of een chemokuur.
„We denken dat 6000 tot 8000 patiënten voordeel zullen hebben van protonradiotherapie”, aldus Langendijk.
De gezamenlijke capaciteit van de drie centra ligt lager. „Ik denk dus niet dat het overdreven is om drie klinieken te bouwen.
Het is eerder de vraag of dit wel genoeg is in de toekomst.”
Knelpunt bij de beoordeling van de nieuwe techniek is het gebrek aan goed wetenschappelijk onderzoek dat aantoont dat protontherapie een beter resultaat oplevert dan de bestaande röntgenbestraling.
Het gebruik van simulatiemodellen kan dit probleem oplossen. Maar er zit een risico aan.
„Wanneer klinische gegevens de simulatiemodellen niet bevestigen, gaat de vergoeding weer uit het pakket”, stelt dr. Gerrie Ligtenberg van het College voor zorgverzekeringen.
Tegen die tijd staat er dan wel een kliniek waarvan de investeringskosten van 150 miljoen nog lang niet zijn terugverdiend.
Vanuit wetenschappelijk oogpunt moet Nederland eigenlijk fiat geven aan de nieuwe behandelmethode, stelt Langendijk.
„Radiotherapie, apparatuur en capaciteit zijn tóp in Nederland. Als we hier echter niet in investeren, raken we die voorsprong kwijt.
De Europese landen om ons heen, met uitzondering van België, gaan hier allemaal mee verder. Wij mogen hierin niet achterblijven.”
Supersnelle deeltjes
Het hart van een protonenkliniek vormt de deeltjesversneller. Deze machine –een paar verdiepingen hoog en 6 tot 10 meter in diameter– versnelt de protonen door middel van elektrische en magnetische velden tot de gewenste snelheid, soms meer dan de helft van de lichtsnelheid, oftewel 180.000 kilometer per seconde.
Bundelgeleiders met sterkte magneten transporteren de protonen naar de behandelruimtes. Daar worden de deeltjes –in een bundel van enkele millimeters doorsnee– in de tumor geschoten. De snelheid van de protonen bepaalt hoe ver ze in het lichaam doordringen. De patiënt wordt vanaf verschillende kanten bestraald voor een maximaal effect op de tumor en minimale schade aan het omliggende weefsel.
De deeltjesversneller, het transportsysteem en de behandelapparatuur: het is allemaal meters groot. Wie aan protonbehandeling begint, moet een heel complex neerzetten met een oppervlak van minimaal 50 bij 100 meter en enkele etages hoog. De aanschafkosten komen daardoor uit op 100 tot 150 miljoen euro.
Experimenteel gebruik van deeltjesversneller
Protontherapie is niet ”nieuw”. In 1954 maakten artsen voor het eerst gebruik van deze vorm van bestraling. Ze leenden daarvoor de deeltjesversnellers van collega fysici. Inmiddels hebben wereldwijd zo’n 50.000 kankerpatiënten de behandeling met elementaire deeltjes ondergaan.
De gangbare röntgenstraling is sinds de jaren 20 van de vorige eeuw in gebruik voor de bestrijding van kanker. De Duitser Wilhelm Röntgen (1845 1923) ontdekte de straling in 1895 en maakte de eerste ‘foto’ van de botjes in de hand.
In 1946 suggereerde de Amerikaanse natuurkundige Robert R. Wilson (1914 2000) dat niet alleen röntgenstraling (fotonen), maar ook protonen kankercellen zouden kunnen vernietigen.
Al snel daarna zetten verschillende instituten die de beschikking hadden over een deeltjesversneller, de techniek experimenteel in voor de behandeling van kankerpatiënten. Protonradiotherapie wordt sinds 1954 toegepast in Berkeley (VS), sinds 1957 in Uppsala (Zweden) en sinds 1961 in Boston (VS).
Het eerste ziekenhuis dat protonbestraling als standaardmethode in gebruik nam, was in 1990 het Loma Linda University Medical Center in Californië. Sindsdien is het aantal protonenklinieken wereldwijd uitgegroeid tot 28. In zes Europese landen bestaan acht klinieken. Een zestal is in aanbouw, voor meerdere centra liggen de plannen op de tekentafel.